U bent opgeleid als landschapsarchitect aan de Wageningen Universiteit. Hoe bent u op de faculteit Bouwkunde terechtgekomen?
Ik ben niet de enige landschapsarchitect die op deze faculteit is terechtgekomen, er is zelfs een hele sectie landschapsarchitectuur binnen de afdeling Stedenbouw. In mijn geval ging het om een leerstoel die gecreëerd is dankzij de Belvedere-beleidsnota, een rijksprogramma waaraan drie ministeries (VROM, OCW en LNV, red.) hebben bijgedragen. De bedoeling van het programma was om de conserverende krachten in de samenleving zoals monumentenzorg en landschapsbescherming, en de ontwerpende krachten in de samenleving dichter tot elkaar te brengen. Onder het motto ‘Behoud door Ontwikkeling’, is de vraag gesteld hoe we geschiedenis en erfgoed een rol kunnen laten spelen in de ruimtelijke ontwikkeling van ons land. Dat heeft geleid tot een aantal verschillende activiteiten die uit dat programma zijn voortgekomen. Eén daarvan was onderwijs en onderzoek rond dit thema organiseren, waartoe drie leerstoelen zijn opgericht:
- aan de VU Amsterdam, om vooral historici in hun opleiding te laten wennen aan het idee dat ze weliswaar historici en erfgoeddeskundigen zijn, maar in een wereld van permanente veranderingen en dynamiek;
- aan de Universiteit Wageningen, ter ontwikkeling van planning, regelgeving en bestuurlijke verantwoordelijkheid die behoren bij de interactie tussen bescherming en ontwikkeling;
- en aan de TU Delft, om de ontwerpers in opleiding te confronteren met het idee dat je wel voortdurend kunt dénken dat je iets nieuws maakt, maar dat je toch vooral bezig bent met het opnieuw bewerken van dingen die er al zijn.
Op deze laatste leerstoel heb ik gesolliciteerd en dat heeft ermee te maken dat ik in mijn werk als landschapsarchitect en –adviseur de afgelopen jaren steeds meer in aanraking ben gekomen met conservering en ontwikkeling in groot landschappelijk verband. Als voorbeeld noem ik de Nieuwe Hollandse Waterlinie, een historisch defensiewerk op grote schaal, waarvoor ik een plan heb gemaakt dat inging op hoe we de historische kwaliteit van die grote structuur kunnen bewaren en tegelijkertijd die structuur kunnen vernieuwen; het vitaal en relevant te maken voor de Nederlandse ruimtelijke ordening. Men heeft mij aangenomen als landschapsarchitect met ervaring in de cultuurhistorie en de bewerking daarvan in de landschapsarchitectuur.
Uw leerstoel heeft een bijzondere positie binnen het curriculum van de faculteit Bouwkunde. Kunt u nader toelichten van de doelstelling is van uw leerstoel?
Mijn doel is het verspreiden van het ‘Belvedere-virus’. Meer in het bijzonder de studenten aan deze faculteit doen beseffen dat de Nederlandse opgave in architectonische, stedenbouwkundige en landschappelijke termen steeds meer een herontwikkelingsopgave wordt, waarin we vooral ons moeten bezinnen: wat hebben we al en wat kunnen we daarmee? Wat vergt dat voor een ontwerpbenadering? Ontwerpers dienen zich veel explicieter af te vragen: wat heb ik eigenlijk met geschiedenis, wat vind ik daarvan, is het vooral een belemmering voor mijn eigen artistieke, creatieve of innovatieve talenten? Of is het iets waar ik vooral op voortbouw, is het inspirerend, is het een gegeven waar ik iets contrastrijks naast wil zetten. Ik probeer in mijn onderwijs daarin de studenten uit te dagen: je zegt wel dat je iets met geschiedenis doet, maar waar blijkt dat dan uit? Wat voor ontwerpbewerking ben je eigenlijk aan het uitvoeren?
Omdat ik landschapsarchitect ben én omdat er binnen deze faculteit een mastertrack Landschapsarchitectuur in voorbereiding is, heb ik aangegeven dat ik in mijn tweede termijn van nog eens vier jaar, de landschappelijke kant van dit vraagstuk wil benadrukken. Door de afdeling RMIT wordt op architectonische en stedenbouwkundige schaal al voldoende nagedacht over hergebruik en herontwerp. De landschappelijke schaal is hierin nog onderbelicht. Ik zou dit graag wil invullen en dan wel op alle schaalniveaus, van landschappelijkheid en stedelijke openbare ruimte tot en met het cultuurlandschap. Die verschillende dimensies van landschap zijn me allemaal even lief.
Hoe verschilt de sfeer en het onderwijs van de hedendaagse faculteit Bouwkunde met die van uw studietijd in Wageningen?
Qua sfeer en soort onderwijs was het kleinschaliger. Mijn opleiding bestond uit stevig begeleide projecten met bijna individuele aandacht. Het maakte dat je je er sneller op je gemak voelde, sneller kon aarden, dat er sneller een gevoel van gemeenschappelijkheid ontstond met collega-studenten. Hier in Delft is dat anders, het is veel meer een grote collectie van verschillende rubrieken studenten.
Een overeenkomst is de discussie hoe een ontwerpopleiding zich verhoudt tot een universitaire ambitie; dat was in Wageningen ook permanent een discussie: waar leid je nou eigenlijk voor op, wat is de wetenschappelijkheid van die landschapsarchitectonische opleiding? Deze vraag komt ook in Delft voortdurend terug: is dit niet gewoon een beroepsopleiding, architecten klaarmaken, dus hoezo is dit nou wetenschappelijk?
Er wordt in de Bachelor´s relatief veel tijd besteed aan de procesmatige aspecten van een ontwerpopgave in plaats van inhoudelijke verkenning. Is er tijd genoeg voor bezinning?
Een goede opleiding is een mix van dingen voorgeleerd krijgen en dingen zelf uitvinden. Ik denk: ‘het genie van Picasso kon pas tot ontwikkeling komen nadat hij had leren schilderen’, net als musici: allen klassikaal geschoold voordat ze wisten met welke marges ze konden gaan spelen en hun eigen draai daaraan konden geven. Het klopt dat het Bachelor´s programma dichtgetimmerd is, het heeft eigenlijk geen marge. Behalve de Minor, maar ook daar worden min of meer pasklare invulstukken aangeboden. Echter, voorlopig denk ik dat het nog niet zo gek is om 4 semesters 'te leren autorijden’ en het 5e semester te bekijken: waar ben ik eigenlijk goed in, waar gaat mijn hart naar uit, waar zit mijn fascinatie? Daarna kun je in het 6e semester de oefening nog één keer uitproberen voordat je kunt gaan specialiseren. Er zijn in de Bachelor´s wel degelijk mogelijkheden om inhoudelijke accenten te zetten. In ieder geval zou het in mijn optiek goed zijn om studenten die daar naar zoeken of die in hun werk laten zien dat ze daaraan toe zijn, ook de ruimte te geven. Dan zou ik als docent minder statisch reageren op de vraag: heeft-ie nou wel of niet het productenlijstje afgevinkt?
Het is wel zo dat zeker de eerste twee semesters zijn steeds belangrijker worden om vast te stellen of studenten de goede combinatie hebben van talent, doorzettingsvermogen, attitude om succesvol de rest van de studie door te komen. Daar wordt de faculteit nog veel nadrukkelijker op afgerekend en dat heeft alles te maken met rendementen.
Is er noodzaak voor meer bewustwording onder studenten van de invloed van verschillende lagen in de context?
Het hele fenomeen ‘context’ is een cruciaal element. Ik benadruk al in mijn eerste college, in BSc I: je kunt nog zo virtuoos zijn in je scheppingsdrang op weg naar woonconcepten of smart buildings, het is betekenisloos als het niet ergens staat. Omgekeerd kan iets als architectonisch object nog zo briljant zijn bedacht, maar op het moment dat het op de verkeerde plek staat is het ook gewoon kapot. Dus sensibiliteit voor omgevingsfactoren is essentieel voor een opleiding, ook als architect en stedenbouwkundige.
Speelt deze noodzaak ook in de beroepspraktijk?
Ik heb zitting genomen in verschillende welstandscommissies en op verschillende schaal- en fractieniveaus werk gedaan. Het gaat daarbij vrijwel altijd over de context, namelijk: je maakt een interventie in een bepaalde omgeving, zij het een ensemble, een straat, een plein, een lint, een bos of natuurgebied. Je bent altijd in een context bezig, die bijvoorbeeld in welstandsdiscussies het hoofdthema wordt: is jouw architectuur relevant voor deze locatie?
Ik voel mij geruster bij architecten die hun verhaal beginnen met een kritische analyse van hun omgeving, die duidelijk kunnen maken dat ze begrijpen in welke context ze bezig zijn. Het hoeft niet zo te zijn dat het gebouw of de architectuur helemaal uit die contextuele analyse voortkomt en daarmee een soort onlosmakelijke, organische relatie aangaat. Ik ben ook erg geïnteresseerd in architectuur die juist de autonomie opzoekt. Een contextuele analyse kan namelijk ook leiden tot de conclusie: het is hier fuzzy, onhelder; de architectuur moet autonoom zijn om nieuwe context te creëren. Dat kan soms een hele valide en goede werkwijze zijn. Maar ik vind dat architecten zich daarvan rekenschap moeten geven en daar vervolgens een duidelijke positie in moeten kiezen. Die positie moet uiteindelijk tot expressie komen in een architectonisch ontwerp.
Hoe verhoudt uw leerstoel zich tot duurzaam ontwerpen?
Ik heb denk dat mijn leerstoel een interessante inhoudelijke relatie heeft met duurzaam ontwerpen. Ik geef les in hoe je oude structuren kunt vernieuwen. Bijvoorbeeld: wat was de toekomstwaarde van ons huidige gebouw? Voor de brand op de Berlageweg, was de toekomstwaarde van dit gebouw een appartementencomplex. Toen viel het doek voor de Berlageweg en verschoof aan de Julianalaan de toekomstwaarde naar een onderwijsvoorziening. Het knappe is dat dit gebouw blijkbaar beide potenties in zich had. Mijn interesse gaat uit naar het daaropvolgende transformatieproces. De grote recyclingsoperatie die zich hier heeft voorgedaan, heeft geleid tot een buitengewoon comfortabel onderwijsgebouw. Welke ingrepen bleken er nodig te zijn, zowel in het interieur als exterieur, om dat voor elkaar te boksen? De daarvoor noodzakelijke ontwerpvaardigheid is ruggelings verbonden met de vraag die vanuit het duurzaamheidsoogpunt relevant is: slopen of hergebruik?
Het is een vraagstuk dat loopt over alle schalen. Je kunt je afvragen of Nederland als ‘lowland’, als een op de natuur veroverde topografie wel een duurzame structuur is. Wij moeten permanent blijven pompen om het land bewoonbaar en bruikbaar te houden. Daar kun je vraagtekens bij plaatsen. Wat zou het betekenen als we in Nederland onszelf minder afhankelijk zouden maken van al die landschappelijke ‘prothesen’ zoals dammen, dijken en stuwen? Wat zou er dan met de topografie gebeuren? En hoe stabiel zou een economie met 16 miljoen Nederlanders zich dan nog kunnen gedragen? Ik ben geïnteresseerd in continuïteit, in het zoeken van een balans tussen historische kenmerken en kwaliteiten aan de ene kant en toekomstige relevantie aan de andere kant. Welke modificaties zijn er nodig om ook een toekomst mogelijk te maken, zonder dat je de kwaliteiten uit het verleden verliest.
Duurzaamheid tot nu toe wordt vooral uitgedrukt in termen van energie, water en afvalbeheer. De fysieke duurzaamheid van onze omgeving wordt door leerstoelhouders Andy van den Dobbelsteen en Dirk Sijmons behartigd. Mijn leerstoel zit daar tegenaan; als een aanvullende dimensie op de hele duurzaamheiddiscussie: de etherische en symbolische kanten van duurzaamheid.
Na een succesvolle pilot, is dit de tweede editie van de Stylos Masterclass. Wat verwacht u van deze masterclass en wat hoopt u te bereiken?
Ik heb zelf vaak meegedaan aan masterclasses en workshops en die herinner ik me met veel plezier. Dat heeft te maken met de beleving dat het mogelijk is in één dag een ontwerpklus te klaren. Die ervaring alleen al is waardevol. En ik vind wanneer je dat als student meemaakt, dan win je iets; dat verrijkt je opleiding. Daarnaast is het een interessante manier van onderwijs verzorgen, omdat je namelijk aangemoedigd wordt tot snel te denken en handelen. Om opgaven snel op zijn pit en periferie te onderzoeken, om snel positie te kiezen, om snel door te redeneren. Het is interessant om mee te maken dat je in een compacte periode toch een hele cyclus kunt draaien.
Ik vind het slim van jullie om de hoogleraar uit zijn tent te lokken, om hem uit te dagen zijn punt te maken. Mijn punt gaat over hoe jij als ontwerper kunt verhouden tot de geschiedenis aan de hand van een ontwerpopgave. 'Wat zou ik daar mee moeten hebben of wat wil ik daarmee gaan krijgen?', dat die vraag op zijn minst geactiveerd wordt. Dat je bij jezelf denkt: 'ik moet daar meer van weten' of 'ik ga daar naar zoeken. Ik ga het volgende architectuurtijdschrift dat op mijn mat valt eens met die bril op doornemen: al die architecten die vreselijk hun best zitten te doen, wat hebben die eigenlijk met geschiedenis?'
Kan deze manier van werken worden ingezet als gereedschap in het ontwerpproces?
Ik denk dat het heel erg stimulerend is voor een ontwerper om zich af te vragen: welke historische informatie neem ik mee in mijn ontwerp, waarom en op welk abstractieniveau? Dat is ook de worsteling die alle architecten in de beroepspraktijk hebben met modificatie van gebouwen, stedenbouwkundige ensembles en landschappen. Ze worden overdonderd met historische informatie, aangedragen door historische geografen, cultuur- en architectuurhistorici die allemaal heel veel weten van wat het gebouw of het landschap heeft doorgemaakt. Dan is het aan de ontwerper om daar zijn weg in te vinden. Dat is een interessant proces en dat moet, vind ik, expliciet gemaakt worden in elk ontwerpproces. Het aardige is dat veel ontwerpprojecten die jullie in de Bachelor´s krijgen, zijn gelokaliseerd in situaties die een geschiedenis hebben doorgemaakt. Ze zijn niet in vitro, hebben een context, een verhaal en een historische lading. De bewerking van de historische informatie en structuur is een essentiële stap in het ontwerpproces en wordt steeds relevanter in de beroepspraktijk. Je zult je er hoe dan ook in moeten verdiepen, je kunt je er niet aan onttrekken.
Wat kunnen we nog meer van uw leerstoel verwachten?
Voor de studenten die dit interessante materie vinden, wil ik vermelden dat er een goede Minor aan zit te komen. Deze Minor heet 'Identiteit & Interventie' en start in september 2010. Deze verzorg ik samen met RMIT. Daar zitten mensen in die met eenzelfde ontwerperattitude terugkijken naar de geschiedenis; onder meer Jo Coenen, Paul Meurs en ikzelf. Tezamen met studenten gaan wij 30 ECTS lang dieper in op deze stof. Zes modules, van verschillende schaal- en uitwerkingsniveaus gelardeerd met colleges. Het wordt een mooie mix van theorie en ontwerpoefening.
26 May 2010 | Masterclass - Edition 2
When?
From 26 May 2010 - 00:00
Until 26 May 2010 - 18:00
Where?
BK City
Design challenge
BKCity is a result of a successful refurbishment operation of a disused TU building. The initiated real estate transaction to a commercial developer has been reversed in favor of relocating the faculty of Architecture. The interior design features all the characteristics of its new user: a 21st century flexible 'education factory'. And not unlike a small city, it encompasses a diverse collection of inspirational spaces and facilities. The arrangement of BKCity's forecourt however, is lacking a similar degree of consideration.
The assignment stated is to make a suitable design for the BKCity forecourt, that surpasses its current use as a bicycle parking and informal sitting area. We set out to compose an entrance space that not only fulfills the current user's demands, but also acknowledges and expresses the building's former use. A representative space that conveys the building's content and history.
Under personal guidance of the professor, the design research will lead to a series of drawings that show a feasible proposition. At the end of the Masterclass, the results will be presented, compared and discussed during a general review by the professor and participants alike.
---
Ontwerp opgave
BKCity is het resultaat van een geslaagde herinrichtingsoperatie van een oud TU-gebouw. De verkoop aan een ontwikkelaar is teruggedraaid om de faculteit Bouwkunde te kunnen herhuisvesten. Het interieur vertoont alle kenmerken van de nieuwe gebruiker: een 21ste-eeuws flexibele onderwijsfabriek, een kleine stad bijna, met veel verschillende soorten ruimten en voorzieningen. De inrichting van het voorplein van BKCity laat evenwel te wensen over.
De opgave is om er in 1 dag een goed ontwerp voor te maken, waarin niet alleen de gebruikerswensen worden ondersteund maar ook de architectuur en de voorgaande functies van het gebouw tot uiting komen. We gaan op zoek naar een voorplein dat, meer dan een fietsenstalling en een babbelterras, een representatieve ruimte kan zijn die de inhoud en de historie van het gebouw duidelijk maakt.
Onder persoonlijke begeleiding van de professor zal gewerkt worden aan een ontwerpend onderzoek met als resultaat een serie tekeningen die een realiseerbaar voorstel tonen. De onderzoeksresultaten zullen onder leiding van de professor gezamenlijk worden gepresenteerd en bediscussieerd.
Dit is de eerste editie van de Stylos Masterclass. Wat verwacht u van de Masterclass en wat hoopt u te bereiken?
Het is belangrijk tijdens de opleiding zoveel mogelijk te ontwerpen en dat hoeft niet alleen tijdens de reguliere ontwerpstudio’s, die een aantal weken duren. Ook juist korte opgaven kunnen interessant zijn. Om in een korte tijd een idee te ontwikkelen en over te dragen aan anderen. Dat is iets wat in de praktijk ook van belang is, want daar heb je ook niet acht weken om op een idee te komen. Je moet snel kunnen handelen. Ik denk dat het goed is om daar in te oefenen. Al die praktische dingen die ook deel uit maken van het architectenvak, leer je in de praktijk wel. Je moet tijdens de studie vooral mogelijkheid krijgen je eigen ideeën en opvattingen te ontwikkelen. En dat doe je door het ontwerpen. Ik denk dat de Masterclass daar een goede aanvulling op kan zijn.
Het is de bedoeling dat de professor voor de Masterclass zelf het onderwerp van onderzoek aandraagt. Waarom is dit onderwerp van belang?
Ik heb voor een opgave gekozen die relatief overzichtelijk is, die binnen een dag tot mooie resultaten kan leiden. Het is eigenlijk een klassieke ontwerp opgave: het ontwerpen van een huis te midden een bestaande context, maar waar binnen de opgave veel vrijheid is te vinden. Het is eigenlijk hoe ik als ontwerper te werk ga; je hebt je gegeven beperkingen en daarbinnen moet je zelf je eigen vrijheden en ontwerpthema’s zoeken. Dat is de basis van de opgave die wij gaan doen.
U bent medeverantwoordelijk voor de minor House of the Future, die dit jaar voor de eerste keer is gegeven. Hoe is de minor-werkstructuur bevallen?
De kracht van de minorstructuur is dat je een half jaar de tijd hebt om je op een enkel onderwerp te concentreren. Ik denk dat dit heel waardevol is. En ook dat het je als student de vrijheid biedt om enerzijds verdieping te zoeken binnen de eigen faculteit, of anderzijds dat je iets geheel anders kan doen om je blik te verbreden. Ik denk dat het een prachtige toevoeging is aan het bachelor programma.
Onderwijs in Nederland is beperkt in tijd en geld. Er dient daarom een keuze gemaakt te worden welke vaardigheden essentieel zijn voor een gedegen opleiding tot bouwkundige. Wat missen de studenten in het huidige onderwijs?
Je kunt beweren dat onderwijs is beperkt in tijd en geld, maar dat valt te relativeren. Geldtekort komt op de meeste universiteiten voor. De opleiding beslaat vijf jaar, daar moet je toch veel in kunnen doen lijkt mij.
Wat ik opvallen vind, is dat het lijkt alsof veel kennis en vaardigheden niet beklijven bij de studenten. Kennelijk missen we in ons onderwijs een soort opbouw waardoor kennis bijblijft zodat deze verder ontwikkeld kan worden. Ik schrik soms van wat er na drie jaar Bachelor van overblijft. Je merkt bij de leerstoel Woningbouw dat studenten tot in de Master weinig hebben geoefend met het in elkaar zetten van een basisplattegrond. Een vaardigheid zoals het ontwerpen een goede plattegrond verdient wat mij betreft meer aandacht.
Als ik kijk vanuit mijn eigen bureau, verwacht ik van de medewerkers die van de TU komen, dat ze juist als ontwerpers kunnen worden ingeschakeld. Dat ze zelf met alternatieven kunnen komen. En dat ze voldoende kritisch vermogen hebben om ideeën aan uitgangspunten te toetsen. Naar mijn mening onderscheidt dat de TU studenten van de studenten van de Academies van Bouwkunst. Het is voor de studenten goed om te beseffen dat dit hun kracht is, dat dit hetgeen is wat ze zouden moeten ontwikkelen.
Hoe verschilt de sfeer en het onderwijs van de hedendaagse faculteit Bouwkunde met die van uw studietijd?
Wat ik wel een groot verschil vind, is dat jullie beduidend minder vrijheid hebben in de studie; er zijn nauwelijks keuzemogelijkheden. In de Bachelor ligt het onderwerp en de aanpak van alle projecten vast. Dat was vroeger anders. Toen werd elk project door de docent ingevuld en koos je voor een docent met een bepaald onderwerp. Je kon als student vrij makkelijk eigen onderwijs opzetten, dat heb ik zelf veelvuldig gedaan met medestudenten. De wereld is ondertussen meer geformaliseerd. Van ons wordt verwacht ervoor te zorgen dat de projecten met elkaar vergelijkbaar zijn, om te voorkomen dat als je bij de ene docent een matig resultaat haalt, je niet de in de veronderstelling verkeert dat het bij een andere docent hoger zou zijn uitgevallen. Het is wellicht kenmerkend voor deze tijd, waarin de student veel mondiger is.
Ik vind het onderwijs dat nu gegeven wordt niet de vrijheid kent die ik heb genoten. Het zou misschien goed zijn als die wat meer terug komt.
Wat betreft de sfeer, die is nog steeds goed toch? Het blijft een mooie studie.
In een eerder interview met Stylos heeft u aangegeven dat de student wellicht eerder een richting zou moeten kunnen kiezen. Kunt u dat in dit kader toelichten?
Ik had dat anders verwoord. Het blijft lastig om met de Bachelor drie jaar lang in de breedte te gaan. Mijn ervaring is dat alle verschillende afdelingen klagen over het niveau van de studenten. Echter, je maakt het onderwijs met elkaar, dus je bent er zelf mede schuldig aan. Daarbij komt dat nivellering inherent is aan de brede Bachelor opzet. Mijn idee was dat je in het derde jaar kunt kijken of je niet wat meer voorsorteert en daarmee studenten wat beter kan informeren. Het geeft de student de mogelijkheid om zich te bedenken en eventueel een andere Master te kiezen.
Vroeger was het zo dat je na de propedeuse een keuze maakte richting stedenbouw, architectuur of volkshuisvesting. Het programma was wel dusdanig georganiseerd dat er veel meer uitwisseling tussen die afdelingen was. Niet dat alles vroeger beter was, maar die opzet was zo gek nog niet. Bij de invoering van het Amerikaans georiënteerde Bachelor-Master systeem, is veel nadruk gelegd op de inrichting van het Master-onderwijs. Ik denk dat de faculteit juist in de bachelor nog een slag kan slaan.
Vergeleken met andere studierichtingen is Bouwkunde tijdsintensieve studie. Vindt u dat er in het Bachelor-programma genoeg tijd bereikbaar is voor zelfontplooiing van de student?
Het is een studie die tijd kost. Het is niet per se moeilijk, maar je moet er gewoon veel tijd in stoppen. Ik merk dat studenten in de Bachelor klagen over dat ze te veel vakken en opdrachten tegelijk krijgen. Het is wel een beetje Delft eigen dat met name in de ontwerpprojecten altijd alles tegelijk moet. Ik vind het moeilijk om in te schatten, maar ik heb niet het idee dat het een overbelast programma is. Ik denk dat studenten drukker zijn met zaken buiten hun studie. Uit ervaring weet ik dat je soms studenten welhaast moet dwingen bij het afstuderen, om zich op de studie te richten in plaats van hun werk ernaast.
Wat vindt u van de toewijding en betrokkenheid van de studenten?
Daar ben ik helemaal niet somber over, ik heb niet het idee dat die minder is dan vroeger. Er is nog steeds een grote groep toegewijde en betrokken studenten. Anders zat ik ook niet hier met jullie.
Natuurlijk is er ook een groep studenten die minder toegewijd is. Dat geeft ons de mogelijkheid om de lat voor de studenten hoog te leggen, zodat degene die echt gemotiveerd zijn blijven. Het is niet verstandig om het programma er op in richten dat iedereen door kan. Als de motivatie er niet is kan je beter stoppen.
Heeft de inhoud van uw leerstoel genoeg bekendheid?
Er zitten benaderingsverschillen tussen de leerstoelen. Ze hebben elk een eigen onderwerp. Binnen de afdeling Architectuur betreft het in principe steeds een architectonische opgave en doen we in grote lijnen hetzelfde werk. De kracht van de TU vind ik dat door de grootte van de school, er veel benaderingswijzen zijn. De onderlinge verschillen zou je als student zelf moeten opzoeken en uitvinden. Als ik naar mijn eigen studie terugkijk, waren er een aantal stellingnamen die soms behoorlijk ten opzichte van elkaar verschilden; hetgeen mij pas gaandeweg duidelijk werd.
Ik denk wat kenmerkend voor onze leerstoel is, dat we er naar streven om in de projecten die wij aanbieden diverse aspecten evenwichtig te introduceren: het gebouw zelf, zijn omgeving, stedenbouwkundige aspecten, nadenken over het gebruik en de functionaliteit. We zijn niet op zoek naar iconische architectuur, noch naar door technologie of computers gedreven architectuur. Wij zijn op zoek naar het alledaagse van de architectuur. Dat kan als centraal thema gezien worden in het onderwijs dat wij aanbieden.
17 Feb 2010 | Masterclass - Edition 1
When?
From 17 Feb 2010 - 00:00
Until 17 Feb 2010 - 18:00
Where?
BG.West.170
1-on-1 design session
The theme for the first edition of Masterclass is the joy of designing.
Spanning one day, the assignment comprises of the design of a new built house on the Herengracht in Amsterdam.
Within the traditional building envelop of a Canal House, the spatial possibilities of this long and narrow volume are to be explored. Central to this endeavour are the classical aspects of architecture: space, light and movement.
As a final result the Masterclass will bring forth an inspiring series of spatial explorations.
In accordance with the nature of this assignment and due to the limited time available, the favoured means of designing is drawing by hand. Model making by hand and with computer aid are considered too rigid and time consuming.
At the end of the Masterclass, the finalized drawings will be presented, compared and discussed during a general review by the professor and participants alike.
Registration is closed. Subscribe for the Masterclass Newsletter
---
1-op-1 begeleiding
Het thema voor de eerste Stylos Masterclass is het plezier van ontwerpen.
De opgave is in het tijdsbestek van een dag een ontwerp te maken voor een nieuw huis aan de Herengracht in Amsterdam.
Binnen de traditionele bouwenvelop van een grachtenhuis wordt een ontwerp gemaakt waarin de ruimtelijke mogelijkheden van het smalle en diepe volume onderzocht worden. De ‘klassieke” architectonische aspecten ruimte, licht en beweging staan centraal.
Als eindresultaat van de masterclass ontstaat een verbluffende reeks ruimtelijke exploraties.
Zoals het een klassieke ontwerpopgave betaamd, zal er alleen met handtekeningen gepresenteerd worden. De tijd is beperkt en maquette- en computerpresentaties zijn te tijdrovend.
De onderzoeksresultaten zullen onder leiding van de professor gezamenlijk worden gepresenteerd en bediscussieerd.
Aanmelding is gesloten. Meld je hier aan voor de Masterclass Nieuwsbrief
---
Benodigdheden:
* Tekengerei
Tijd:
* 17 februari 09:00 – 18:00
Deelname:
* € 10,-
Locatie:
* BK.West.170
Born out of necessity
The new three-year Bachelor’s-degree programme comprises only five design projects. As a result of a multi-disciplinary design approach these projects focus on two or more expertises at the same time. Students find it hard to focus on one distinct theme.
We suggest an in-depth alternative to from the regular Bachelor’s programme: a Masterclass, in which the professor who teaches it organises it round a distinct theme. The Masterclass will focus on just one expertise or a partial expertise. In this model the professor teaches his or her students personally, communicating directly both experience and intellectual heritage. Students profit from both.
Degrees of freedom
The Masterclass intends to gives all parties involved a flexible platform with great freedom in program. There are no set rules and regulations, except for one: it is of vital importance that the Masterclass is not be a competition; rather a think tank. The goal of the class is not rivalry, but genuine enquiry that leads to practical knowledge of undisputed value. In working towards a common goal, the participants stand nothing to lose thus only to gain.
Mission statement
With the Masterclass we intend to:
• to broaden the TU-Delft Bachelor’s-degree programme
• to improve the quality of design education in the Bachelor’s-degree programme
• to create a platform for talented and motivated students
• to transmit and conserve the quality of Dutch design and the reputation of the TU-Delft
The Masterclass benefits the student through:
• the chance to experience a more versatile education
• the opportunity to communicate directly with a professor
• the time and space to make a concentrated design
The Masterclass benefits the professor through:
• the freedom to educate at his or her own discretion
• the opportunity to transfer knowledge directly
The Masterclass benefits the Technical University Delft through:
• the means to broaden the educational programme without added responsibilities
• the opportunity to provide a promotional platform for individual chairs
• the incentive to attract international exchange students
• the opportunity to offer a deeper curriculum to above-average students
